Vrijwillige Brandweer Soesterberg
Opgericht december 1923
De brandweer in vroegere jaren
Al in de negentiende eeuw beschikte Soesterberg over een vorm van georganiseerde brandbestrijding. Uit notulen van de gemeente Soest blijkt dat op 27 augustus 1878 een bedrag van 17 gulden en 40 cent werd uitgekeerd aan leden van de brandweer na een brand bij H. Tammer op 7 augustus van dat jaar. In dezelfde vergadering besloten burgemeester en wethouders het brandweerkorps van Soesterberg uit te breiden met negen personen, onder wie Laurens Hendriks, Anthonie van Dort, Hendrik Tammer Czn en Johannes Tammer Hzn. De brandmeesters ontvingen jaarlijks zes gulden voor kleine uitgaven, zoals verversingen tijdens branden en vergaderingen.
Ook in latere jaren duiken meldingen van de Soesterbergse brandweer regelmatig op in gemeentelijke stukken. In maart 1895 werd een vergoeding vastgesteld voor de inzet bij een brand bij Jan Mollevanger. De uitbetaling bedroeg in totaal zes gulden en veertig cent.
In 1906 was aannemer Gijsbert Pieter Damen brandmeester van Soesterberg. Hij woonde aan de toenmalige Utrechtschestraatweg, het huidige Banningstraat 7. In november van dat jaar werd het korps verder uitgebreid en beter georganiseerd. Bij uitrukken maakte men gebruik van handkarren of paard-en-wagens.
De gemeentelijke notulen van 12 juni 1911 vermelden dat de brandspuit van Soesterberg zou worden getest op maandag 19 juni. Enkele jaren later, in februari 1916, werd een brand geblust bij Wijman — vermoedelijk het latere Café Sport. Onder de brandweerlieden bevonden zich bekende Soesterbergse namen als Smienk, Lensink, Van den Berg, Van Lint, Stalenhoef, Mensink, Lodder en Tammer. Voor hun werkzaamheden ontvingen de manschappen 40 cent per uur; pijpleiders kregen 60 cent vanwege hun grotere verantwoordelijkheid.
In die periode werden brandslangen per fiets vervoerd, terwijl ander materiaal met paard en wagen werd aangevoerd. Voor de opslag beschikte men over een kleine loods achter de Openbare School aan de hoek van de Rademakerstraat en de Verlengde Schoolweg, de huidige Prof. Lorentzlaan.
In 1921 trad J.J. Putman van Huis ten Halve op als commandant. Een jaar later beschikte Soesterberg al over een behoorlijk netwerk van brandkranen, verspreid over onder meer de Rijksstraatweg, Kampweg, Oude Tempellaan en Soesterbergschestraat.
De oprichting van de Vrijwillige Brandweer
De Vrijwillige Brandweer Soesterberg zoals die vandaag de dag nog bestaat, werd officieel opgericht op 13 december 1923. J.J. Putman werd benoemd tot commandant, terwijl C.J. van Dam de functie van secretaris op zich nam. Andere bestuursleden waren Pas, Posthumus, Scheffer, Sevenhuizen en De Wilde.
Hoewel het korps officieel was opgericht, bleven de middelen in eerste instantie bescheiden. Brandslangen werden nog altijd per fiets vervoerd en het overige materiaal ging mee op handwagens. In augustus 1925 kon dankzij steun van de gemeente Soest een grotere handwagen worden aangeschaft. Soms werd voor grotere branden een Ford-vrachtwagen ingehuurd van kolenhandelaar Simon van Leeuwen.
In 1926 trad Putman wegens gezondheidsproblemen af als commandant. Smid Folkert Posthumus volgde hem kort op, maar legde al snel zijn functie neer. Daarna kwam de leiding in handen van slager Jaap Nooder.
De eerste brandweerauto’s
Een belangrijke stap vooruit kwam in 1930, toen de brandweer van Soesterberg een oude manschappenwagen van de brandweer in Soest overnam: een zescilinder Studebaker uit 1919.
In november van dat jaar werd toestemming verleend voor het aanleggen van een kabel voor een sirene, die in 1931 werd geplaatst op of nabij de brandweercentrale aan de Verlengde Schoolweg. In dezelfde periode bluste het korps een grote brand op de Leusderheide.
In maart 1932 volgde bakker Antoon Tammer Jaap Nooder op als commandant. Onder zijn leiding wist het korps in 1933 een gevaarlijke brand bij Hoogte 50 te bedwingen, waarbij het kruithuis behouden bleef.
De Studebaker verkeerde echter in slechte staat. Een technische inspectie wees uit dat reparatiekosten hoog zouden oplopen vanwege onder meer een gescheurde versnellingsbak en versleten banden. Daarom besloot men een nieuw voertuig aan te schaffen.
Op 13 december 1933 vierde het korps zijn tienjarig bestaan in Theehuis Soesterdal en later in Huis ten Halve. Demonstraties van motorspuiten konden wegens vorst niet doorgaan, maar het jubileum werd groots gevierd met muziek, toneel en toespraken.
De nieuwe Chevrolet
In 1934 kreeg Soesterberg de beschikking over een gloednieuwe Chevrolet-manschappenwagen met carrosserie van Trapman uit Oudenrijn. Daarnaast werd een motorspuit aangeschaft, gebouwd door Bikkers NV uit Rotterdam.
De officiële overdracht vond plaats op 26 juni 1934. Daarna trok een feestelijke optocht met muziekkorps Sint Jozef door het dorp. Op het kermisterrein werd de nieuwe motorspuit gedemonstreerd voor een groot publiek.
De Chevrolet kostte 1.500 gulden en bood plaats aan zeven tot acht brandweerlieden op banken langs de laadbak. De motorspuit had echter de reputatie slecht te starten bij echte branden, behalve wanneer automonteur Van Marle aanwezig was. Hij wist het probleem meestal snel te verhelpen.
Het korps telde in die jaren zeventien leden.
Verhuizing naar de Luitenant Koppenlaan
Tijdens de winter van 1934-1935 werd tijdelijk een garage gehuurd aan de Luitenant Koppenlaan voor de nieuwe brandweerwagen. De gemeente kocht dit gebouw later aan en verbouwde het tot permanente brandweergarage.
In 1938 vierde het korps daar het derde lustrum.
Omdat in die jaren nog weinig inwoners over een rijbewijs beschikten, mochten slechts enkele mannen de brandweerauto besturen, onder wie Van Marle, Spaan, Vos en de broers Tammer.
De brandweer rukte in de jaren dertig regelmatig uit, vooral voor bos- en heidebranden. Alleen al in 1934 gebeurde dat zeventien keer.
Oorlogsjaren
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de brandweer het zwaar te verduren. Een van de meest dramatische dagen was 18 april 1941, toen de Leusderheide in brand stond terwijl daar grote hoeveelheden Duitse munitie lagen opgeslagen.
Duitse brandweerlieden van het vliegveld namen de bestrijding van de heidebrand grotendeels over, terwijl de Nederlandse brandweer elders in het dorp branden moest bestrijden, waaronder bij de Stichtsche Margarine Fabriek.
In deze periode werd een krachtige sirene geplaatst op het dak van de PUEM-montageloods aan de Banningstraat. Bij brand klonk een monotoon signaal; bij luchtalarm wisselde de toonhoogte voortdurend.
Op 1 september 1944 vierde commandant Antoon Tammer zijn 12,5-jarig jubileum.
Na de bevrijding
Na de bevrijding op 5 mei 1945 werd de brandweerwagen ingezet voor uiteenlopende taken. Zo werden zogenoemde “Moffenmeiden” ermee opgehaald en overgebracht naar het Wehrmachtsheim aan de Kampweg.
In 1946 brak een grote brand uit in klooster Cenakel, dat uiteindelijk behouden bleef.
Bij het 25-jarig bestaan in 1948 organiseerde de brandweer een grote demonstratie bij villa Groot Sterrenberg. Het pand, bestemd voor de sloop, werd gecontroleerd in brand gestoken en vervolgens geblust. Ook brandende benzine op de vijver werd succesvol bestreden.
Nieuwe voertuigen en modernisering
In 1950 werd een Ford 3-tonner met vierwielaandrijving aangeschaft, speciaal geschikt voor bos- en heidebranden. De groene militaire kleur bleef behouden.
Een jaar later volgde een moderne Ford Thames met ingebouwde brandspuit en een capaciteit van 1.660 liter per minuut. Hiermee zette de modernisering van het korps stevig door.
In 1953 vierde het korps zijn dertigjarig bestaan. Burgemeester Bentinck reikte onderscheidingen uit aan onder anderen commandant Tammer en J.Th. Pas.
De brandweerkazerne aan de Luitenant Koppenlaan werd in 1958 uitgebreid. Tijdens het 35-jarig jubileum droeg Antoon Tammer na 26 jaar het commando over aan Jan A. Luijf.
In 1971 werd het wagenpark uitgebreid met een DAF-brandweerwagen. Twee jaar later werd de vernieuwde brandweerkazerne officieel in gebruik genomen.
C.A. (Rien) Tammer werd in 1977 commandant. Hij begon al op achttienjarige leeftijd bij de brandweer en groeide uit tot een belangrijk gezicht binnen het korps. In 1994 droeg hij de leiding over aan René Moraal.
Grote branden
Door de jaren heen kreeg de brandweer te maken met vele grote branden, waaronder:
- de brand aan de Postweg in 1961 na blikseminslag;
- de brand bij Kontakt der Kontinenten in 1968;
- de verwoestende brand van Circus El Paradiso in 1971;
- branden aan de Amersfoortsestraat en Kampweg in de jaren zeventig;
- de brand in ’t Zwaantje in 1985;
- en vooral de grote brand bij Huis ten Halve (Meubi Dick) in de nacht van 30 op 31 december 1980, waarbij het gebouw volledig verloren ging.
Ook de brand bij Nomotta Wol- en Handwerken in 1998 staat velen nog helder voor de geest.
Een eerbetoon aan de brandweer
De inzet van de Soesterbergse brandweer bleef niet onopgemerkt. C. Top schreef een speciaal lied ter ere van het korps, waarin de saamhorigheid, moed en snelheid van de brandweermannen werden bezongen.
Het lied ademde trots, kameraadschap en verbondenheid met het dorp — eigenschappen die generaties lang kenmerkend zijn gebleven voor de Vrijwillige Brandweer Soesterberg.
Vervolg
Met het voorgaande is de geschiedenis van de Vrijwillige Brandweer Soesterberg vanzelfsprekend niet afgesloten. Ook na 1998 bleef het korps actief en betrokken bij talloze incidenten, oefeningen en ontwikkelingen.
De geschiedenis van de brandweer is daarmee niet alleen een verhaal over voertuigen, kazernes en branden, maar vooral over de mannen en vrouwen die zich generatie op generatie vrijwillig hebben ingezet voor de veiligheid van Soesterberg.
Reactie plaatsen
Reacties